Anouk Smit
 
Van dichtbij zijn mensen echter.
Van veraf gaan mensen niet echt dood: de vijand wordt beschoten; vallende lichamen aan de horizon. Mensen. Jongens nog.
Zo in de verte zouden het met hetzelfde gemak meelzakken kunnen zijn die aan flarden worden geschoten, of flessen wijn die uit elkaar spatten of desnoods opgejaagd wild dat wordt afgemaakt. Je weet het nooit helemaal zeker.
Tot je tussen de lijken door loopt, op zoek naar overlevenden.
Maar dan zijn het al geen echte mensen meer; dan zijn het lijken.
Wij hebben doden. Gesneuvelden.
De vijand heeft lijken.
Met daartussen overlevenden, die paar overlevenden die uit een zee van dood vlees-
meel-
wijn-
wild-
omhoog krabbelen. Op 1 been of met 1 arm.
Als een dronkenman staat zo'n jongen dan te zwalken.
Tussen zijn dode maten.
En hij moet kapot.
En dat weet hij.
En eigenlijk wordt hij daar zo ontzettend kwaad om! Zijn ogen sperren zich open, hij balt zijn vuisten en dan schreeuwt hij als een beest van zich af. En dat is het moment dat je hem af moet maken. Het makkelijkste moment. Als je te lang wacht, is dat moment voorbij; dan is hij niet kwaad meer. Ineens trekt dat weg:
je ziet hem tot zichzelf komen
en om zich heen kijken.
De rustige blik
van een intelligente jongeman
die zijn situatie overziet.
Hij staat een paar meter bij je vandaan. Dan kijkt hij je aan. Hij herkent je: jij bent de jongen met wie hij gevoetbald heeft of zijn eerste sigaret gerookt, met wie hij achter de meisjes heeft aangelopen.
Hallo, denkt hij.
Hallo, denk jij ook.
En dan: ik moet je doodschieten.
Ik weet het, denkt hij.
Doe maar.
/
/
Gepubliceerd in Monologen van Afscheid.
Afscheid van een vriend
HOMEHOME.htmlHOME.htmlshapeimage_4_link_0
E-MAILmailto:afscheidvaneenvriend@anouksmit.nl?subject=Afscheid%20van%20een%20vriendmailto:afscheidvaneenvriend@anouksmit.nl?subject=Afscheid%20van%20een%20vriendshapeimage_5_link_0