Het ribfluweel van de versleten bank is zacht. Als de kussens niet zo naar pis hadden gestonken, zou ik er de hele dag in weg kruipen. Het is de schuld van gele Anna. Die laat haar plas altijd lopen, zodat al haar onderbroeken verkleurd zijn en haar T-shirts uitgebeten kringen hebben, sommige wel tot midden op haar rug. Wassen helpt niet meer, de kleren niet en Anna zelf ook niet. Als ze net gewassen is, stinkt ze zelfs nog meer dan anders. Alsof alle ouwe pis die aan haar lijf zit vastgekleefd dan losweekt en verdampt. Daarom wil niemand met haar in de teil.
/
Dat oma die ochtend mijn brood smeerde was heel raar. Vooral omdat ze een badjas aan had. Ik had oma nog nooit in een pyjama of badjas gezien. Zonder kleren en gouden oorbellen en kettingen zag ze er oud uit. Toen ik op mijn sokken de trap af kwam glijden, hoorde ik dat de geluiden uit de keuken anders waren. De kraan ging aan en uit, wel drie keer achter elkaar. Mama zette de kraan altijd gewoon open. En ze gooide het bestek de la in, zodat het hard kletterde. 's Morgens was mama altijd een beetje boos. En hoe dikker ze werd, hoe bozer ze tegen mij deed als ze mijn boterham smeerde. Soms schudde ze heel hard met de hagelslag, zodat alles over het aanrecht en op de grond rolde. Ik mocht na een tijdje ook niet meer kiezen wat ik op brood wilde. Ze vond alles stinken en een keer moest ze overgeven van mijn boterham. Op het laatst zei ik maar dat ik geen honger had en dan ging ik rammelend naar school. Maar die ochtend hoorde ik het bestek zachtjes klingelen, alsof het een liedje was.
/
Elke week probeer ik iemand te vinden met wie ik in de teil kan. Dan hoef ik niet met gele Anna. Heel soms lukt me dat, als twee andere kinderen ruzie hebben. En als er een nieuw kind is, want dan houdt iedereen zijn mond. Dat is een soort afspraak. Het nieuwe kind moet met gele Anna in de teil. Maar op de zondagen dat er geen nieuw kind komt, en dat is bijna elke week, zit ik in de pisteil. Ik hoop altijd dat Mieke ons wast, want zij doet sop in het water. Dan ruik ik roze als ik afgedroogd ben. Maar alle andere leidsters hebben het te druk om de fles met sop uit de kast te pakken.
/
Toen ik die ochtend voorzichtig mijn hoofd om de hoek van de pukkeltjesmuur stak, zag ik dat de tafel in de keuken gedekt was. Er stonden drie borden op met een mes en ook een vork ernaast. Mijn oma stond met de fluitketel in haar hand en lachte naar me met haar lippen in een gerimpeld krulletje. Ze aaide me over mijn bol en zei aardige dingen. Ze had hete pap voor me gemaakt met bruine suiker en kaneel. Op het bordje van opa lagen al kruimels en een kaaskorstje. Oma at niks, maar kwam wel aan tafel zitten en ze vertelde dat ik een broertje of een zusje kreeg en dat papa en mama daarom naar het ziekenhuis waren. Ik vond het zielig voor mijn broertje of zusje dat hij tussen al die zieke mensen moest wachten tot hij opgehaald werd. En ik vond het ook stom dat ik niet mee mocht om te helpen uitzoeken.
/
We zitten nu al een tijdje in de teil, Anna en ik. De leidster is ons denk ik vergeten, want het water is lauw geworden. Ik voel me een beetje slap. In de verte hoor ik het lawaai van de andere kinderen. De jongen die gisteren naar mijn kamer kwam schreeuwt het hardst. Een ander kind huilt. Gele Anna krijgt altijd klappen. En als ze er niks meer aan vinden, komen ze naar mij. Ik klik mijn kamer dan op slot, maar de grote jongen heeft een leidingsleutel gestolen. Nu kan hij altijd binnen komen. Anna heeft bezoek gekregen, dus nu heeft ze snoep. Dan doen ze aardig tegen haar. Ik krijg nooit snoep.
/
Ik wist niet dat baby'tjes op boze oude mannetjes leken. Ons baby'tje krijste hard en zijn poep stonk niet naar poep, maar naar spinazie. Mama had de hele dag haar pyjama aan. Ik vond het zielig voor mama dat ze ziek was. Het baby'tje had haar ziek gemaakt, omdat het uit het ziekenhuis was gekomen. Mama huilde ook stiekem. Dat zag papa nooit. Papa nam vaak patat mee als hij thuis kwam van zijn werk. Als het baby'tje en ik overdag alleen in de kamer waren, maakten we soms ruzie. Dan kneep het baby'tje mij heel hard en dan ging hij zelf huilen. Dan was mama boos op mij. En papa 's avonds ook nog een keer. Dat was niet eerlijk.
/
Gele Anna zegt iets tegen me. Het is een soort gepiep. Ik zeg niks terug. Ik praat niet met stomme kinderen. Dan wordt het water plotseling warmer bij mijn linkervoet. Snel stap ik uit de teil. Nou krijg ik op mijn kop, want je moet blijven zitten tot de leidster je komt halen. Ik geef Anna een harde klap op haar hoofd. Ze begint te krijsen, maar het maakt mij niet uit. Ik krijg toch al straf omdat ik uit de teil ben. Voetstappen klinken boos in de lange gang. Snel geef ik Anna nog een klap.
/
Op een zondagochtend nam papa me mee naar het zwembad. Hij en mama waren de hele week vrolijk geweest omdat het stomme baby'tje voor de eerste keer op zijn voetjes had gestaan. Na die rotweek was het een verrassing dat we gingen zwemmen. We deden alles wat je maar kon doen in een zwembad: we dreven in het warme water van het ondiepe kinderbad, we gooiden over met een balletje en ik sprong van de kant in het diepe, waar papa me opving in zijn armen. Uren en uren zwommen we, tot mijn vingertopjes gerimpeld waren en de zoemer ging. Pas toen de lichten even uitgedaan werden, liepen we naar de douches. Na het aankleden tilde papa me met mijn hoofd onder de fohn tot mijn haar een warme pluisbos was. Daarna kreeg ik nog een mars uit de automaat in de hal.
/
Nu moet ik op mijn kamer. De leiding heeft avondeten gebracht, maar ik lust geen groene prut. Het heet: grauwe erwten puree. Dat weet ik, want ik heb het op de 'dit lust ik niet'-lijst gezet. Daar mag iedereen 1 ding opzetten. Al het andere eten moet je altijd opeten. Maar ik heb straf en het kan niemand iets schelen wat ik eet. Ik gooi het bord tegen de muur, maar het is van plastic. Al het eten ligt nu op de grond en op het tafeltje. Ook de kaart die ik voor mama moet schrijven is vies. Ik ga weer met mijn hoofd tegen de muur bonken. Niemand komt. Op het laatst val ik op de grond.
/
Op de terugweg in de auto was papa een beetje verkouden. We reden over een gek weggetje en daarna gingen we de snelweg op. Eerst dacht ik dat we naar opa en oma gingen, maar toen ik het aan papa vroeg, gaf hij geen antwoord. Mijn ogen jeukten nog van het zwembadwater en papa's ogen ook, want hij zat er de hele tijd in te wrijven. Mijn wangen gingen strak zitten en ik vroeg of de warme blazer uit mocht, maar weer zei papa niks. Misschien was ik wel stout geweest.
/
Ik wordt wakker als het nacht is. Ik lig nog steeds op de grond en het is heel koud. Het loeit in mijn hoofd. Ik voel aan mijn voorhoofd of het daar kleverig is. Ik doe heel stil mijn deur open. Het licht in de wc is scherp en ik krijg het bloed niet zo goed van mijn hoofd gewassen. Het wasbakje in de wc is te klein en te hoog. Het water blijft maar roze, maar het moet schoon, anders krijg ik morgen weer straf. Ik krijg altijd straf als ik gebonkt heb.
/
Papa luisterde naar een meneer op de radio. Ik was moe, maar ik durfde niet te gaan slapen, omdat ik niet wist waar we heen gingen. De dag daarvoor had ik het baby'tje geduwd. Omdat hij voor de televisie stond en ik zat net iets te kijken. Hij viel met een plof op zijn luierbillen. Hij moest huilen en ik kreeg op mijn kop. Sinds het baby'tje er was kreeg ik bijna elke dag op mijn kop. Ik mocht ook nooit meer op schoot als papa en mama televisie keken. Als ik probeerde bij mama in de stoel te gaan zitten zei papa dat ik mama met rust moet laten. Mama was de hele tijd moe.
/
Met een ruk gaat de deur van de wc open. De leiding is heel kwaad. Haar gezicht is helemaal gekreukeld en als ze schreeuwt zie ik haar losse borsten onder haar pyjama bengelen. Ze grijpt me in mijn nek en dat doet zeer. Door de donkere gang. Veel lawaai want we schreeuwen allebei. Mijn hoofd bonkt tegen de rand van het bed en de deur gaat op slot. Morgen gaan ze me pakken.
/
We reden een bos in. Ik snapte er niks van. Eerst gingen we zwemmen, toen was papa boos en nu gingen we ineens wandelen. Toch voelde ik me blij, omdat mama en het baby'tje er niet bij waren. Ik had papa helemaal voor mezelf alleen. Het was niet erg dat hij boos op me was. Of misschien was hij wel niet boos, maar wilde hij gewoon niet verklappen waar we heen gingen. Ik verklapte ook wel eens dingen per ongeluk. Misschien wilde hij daarom niet praten. Omdat het anders uit zijn mond zou floepen. Ik voelde me heel warm in mijn buik. Een verrassingsdag speciaal voor mij.
/
Ik trek mijn roze legging aan onder de spijkerbroek. De legging is al veel te kort, maar ik heb nog kniekousen die er overheen kunnen. Een hemd, een T-shirt met lange mouwen en de blauwe jongenstrui. Die is het warmst. Ik kan mijn jas niet pakken, want die hangt in het halletje en die zit 's nachts op het alarm. Ik doe mijn regenjas aan. Hij is gemaakt van dik glimplastic, een soort speelgoedjas. Hij heeft grote zakken. Ik doe er twee onderbroeken in en sokken. Ik haal het aardappelschilmesje dat ik uit de keuken gejat heb uit het gat in mijn matras. Ik had tegen mezelf gezworen: alleen voor nood. Nu is het nood. Biggie is te groot om mee te nemen, dus snij ik hem kapot. Iemand anders mag hem niet. Ik veeg het eten van het tafeltje in mijn andere jaszak. Dat vind ik slim van mezelf. Ik pak mijn stiften en op een papiertje schrijf ik: ''Alles is voor Anna''. Dat leg ik midden in mijn kamer. Ik schroef de klip van mijn kozijn, doe het raam wijd open en klim op de vensterbank. Mijn kamer is op de tweede verdieping. Links glimt de regenpijp.
/
Dit huis leek op het vakantiehuisje waar we vorig jaar waren geweest. Het was alleen veel groter. Papa parkeerde de auto. Hij zei iets over een paar daagjes logeren. Er kwam eer mevrouw naar buiten lopen. We stapten uit de auto en papa gaf de mevrouw een hand. De mevrouw aaide over mijn bol, maar niet zoals oma altijd deed. Meer zoals je een hond even over zijn kop aait. De mevrouw zei dat ik maar vast eens binnen moest gaan kijken, maar ik wou niet binnen kijken. Ik wou bij papa blijven. Van papa moest ik ook naar binnen. Hij deed zijn ogen lekker wijd open, maar zijn wenkbrauwen stonden boos. Ik werd een beetje bang.