Anouk Smit
 
 
BOULEVARD
/
Verzin ik een boulevard?
Met zeewind voor het evenwicht
bij voorbaat, en een eind te gaan?
Schaaft het zand de glanzende
straatpatronen: vis en zeester
ingelegd in steen. Het geurt
mossels met citroenen.
Ben ik samen?
/
Stromen terrassen over van
parasols en borsten in parero's?
Van liefde en het roeren in
tinkelend porselein met schuim.
Winkels die het kleurig plastic
manisch uit hun kroppen stulpen.
Blank is de zee.
/
Golft het zonnebrillen met daar
vrouwen achteraan? Lucht
de high-society lucht zich op,
flaneert met ogen zonder achterkant.
Staan hotels in rijen en rasters,
en jongens in witte overhemden
uit te nodigen onder de luifels.
Reflecteren ze de oceaan.
Steekt me een gemis.
/
/
/
- ZONDER TITEL -
//
Zo over jezelf gebogen
je schouders het schild voor 't
weke buikvlees, hoewel behaard.
Alles valt je aan. Je leerde
het incasseren al vroeg
als uitgeput kind aan de avondtafel.
/
Wenkbrauwen worden bewreven
en soep de koppen ingeschept.
Er wordt gelepeld als een
machine die gezinnen reproduceert.
/
En zo zitten we in oplagen
schilden te groeien; oude dikke
op jouw schouders. En splinter-
nieuwe op mijn tong.
/
/
/
VERGETELHEID
/
Vergetelheid is altijd slechts een tussenstop geweest.
Ze hebben hier een restauratie, een ballonnenman
en een groepje mariachi's met laarzen en gevoel voor troost.
/
De chocola is puur en nergens wordt mijn naam gezegd.
Wegwijzers ontbreken hier met overweldigende kracht.
Ook ontbreekt het hier aan:
pijlen en tabellen
chronologische seizoenen
en acht uur slaap per nacht
/
Verderop is industrie te zien zoals in mijn herinnering.
/
Gedachten aan verzonnen stegen in St. Petersburg
houden me opstandig, als ik naar de lange steel
van de lepel in mijn roomijs grijp. In de bolling gladgelikt
kromt de horizon zich achter mij.
/
Er klinkt een omroepstem.
/
/
/
- ZONDER TITEL -
/
Dat het lijk maar niet verdrogen wil.
De lucht trekt dieper in het blauw; de vingernagels
snijden zich in staat van ontkenning desondanks
de huid verder uit.
Nog open staat de mond.
Kwaad bloemblad dat weigert
te sluiten voor de nacht.
Het rot.
Het had geregend.
Iets doods is het verboden te doen
of het tot leven komt. Het veinst al
dauw en ademgloor.
Ik maak
een vuur een vuur -
verwoed protest.
Raar van het wachten
oog ik het droog, dat smalend vel.
Uit zijn ziel gerookt zal het verdorren
en tot pulver worden
onder mijn zolen
en dan het vuur, ook dat schop ik
uiteen totdat
het as
het stof
de lucht verduistert eindelijk
boven deze
dodensteppe.
/
/
/
ZONDER CIJFER
/
Je ziet me
aan met pluchen ogen.
Niks heb ik aan me
te verdedigen
tegen je.
Maar soms ben ik oud, zo oud, zo
uitgeput met rimpels die misschien wel jij
maar ik nog nooit verwachtte en zich nu
plooien onder jouw vingers.
Dat mijn handen je ontroeren
is het verdrietigste dat iemand ooit.
Nerveus maar gerust wil ik
hangen blijven, veilig
en zonder cijfer, net als jij.
/
/
/
ONTVRUCHT
/
Onder haar fortuin
de grond bleek brak
de oogst is waardeloos.
Dwingend hangen ze te wachten:
zoute peren. Plukmachines
draaien zich
nog looiend in een schoot.
Zoet maar, wrijven ze elkaar.
En naar de mond gebracht
als terugverwijzing naar de pogingen
vergeefs
te verbijten
wat bij de wortel al -
zijn de knoken nog stram
in het ochtendvocht.
Teleurstelling de lauwe brandstof
van decennia aan smaakverlies.
Leg het fruit de kisten in.
Haar geschaam al afgestompt.
Grote aantallen in series
liggen nog te vondeling.
/
/
/
- ZONDER TITEL -
/
Ik loop over de dijk
en jij over het water.
Dat ik blijf schreeuwen,
hees en onbeheerst,
maakt dat ik meer en meer
geloof dat het de lettergrepen
zijn die je boven houden.
/
Mijn tongval draagt je voetzolen;
de gladgespannen vissenhuid
laat de smaak van parel
achter op mijn huig. Ik ben
volledig in paniek.
Kom toch aan land,
ik kan je niet -
De spetters rond je enkels
hebben met hoogmoed
niets te maken, noch je mond,
die praat waardoor ik weet
hoe ver je bent, vanaf de dijk.
Ik wil een fiets, een hand,
ik wil je haten.
/
/
/
BEKLEED
/
Dat handgeweven vloerkleed
brabbelt zijn figuren
in mijn tussengeschoven tas.
En uitgestrekt
in spiegelbeeld
op hoeveel mijl beneden mij
het ongehoorzaam tafelkleed.
Je vingers vouwen bergen als ik
in verwarring alle akkers stijf.
/
Hier bleek het leven geometrisch zo
onaangepast als twaalftoonszang
in de ochtendstad, waar onverwacht
mijn huis zich opgetrokken scheen,
hoog op een verdieping ingeklemd
tussen steen en lappen van andermans daken.
/
De voeten die zich terugvonden
bedrukt op je kleden
staan nu weer
rond de tas geklemd. Met onder hen
het landschap dat me terugroept.
Mijn gehoor beslaat
achter het afgeronde raam.
/
/
/
VADER
/
En plotseling zie ik mijn vader
op een fiets.
Hij is het niet.
Dat zie ik aan
de kuiten; te slap en te oud.
/
Maar zijn achterhoofd is zo
hetzelfde, en de strepen
van zijn shirt. En dat hij
op de fiets zit
in een vreemde stad
is volgens zijn karakter
zo volkomen logisch,
dat ik het erop hou, dat het
mijn vader is.
/
/
/
HINDEVANGER
/
Ik ben de hindevanger.
Allesbehalve lichtgetracht
leg ik
het ras gezwicht aan banden
lig ik
het zinderende dansen
af te wachten
leg ik aan
om de tintelende marteling
spannen
wachten
barsten
krachtig te doen stranden.
Verstommen.
In hopeloos gespartel
in troosteloos gedroom
in laatste, stille pogingen.
En dan
de dood.
/
/
/
- ZONDER TITEL -
/
Het water stond koud in de auto.
We zagen: het was geen dag gebleven
en zwarte riemen streepten ons nog vast.
Het spanningsloze wachten op wie
van ons een besluit uitbracht of schreeuwen
sijpelde langs de rubberstrips en vulde
de ruimte al tot aan de ramen.
Buiten stormde geen geluid.
Simultane toespraken, stellingnamen
vormden zich, maar
leunden zwaar achter vier ogen
met schedel en al de hoofdsteunen in.
En ontgoocheling als onze monden zich eindelijk
openen maar weigeren te praten
/
/
/
HET APPARTEMENTENBLOK
/
Het appartementenblok is in pastel
geverfd. Mintgroen.
Aircobakken hangen als bange ogen
aan zijn buitenkant. Balcons
opgestapeld: voeten lopen over hoofden.
Thee boven ruzie.
Ruzie boven thee.
In zijn holten, schaamteloos verlicht,
vierentwintig levensvarianten
in kleur, gekaderd in kozijnen.
Vitrage.
/
En bij gebrek aan plek heeft het
appartementenblok zijn eigen ingewanden
op zijn dak gezet: metalen tonnen
water liggen buiken bloot te wachten
afgetapt te worden. Stellages roesten.
Naakte sprieten voelen naar kanalen,
zijtakken, rasters, scheefgezakt.
Kabels houden die wanhopige ontvangers
vast, zodat ze kunnen reiken.
Schotels hebben zich
verwaand,
en masse
dezelfde richting op gedraaid. Met in het
midden trots hun stampers prijkend.
/
Naast het appartementenblok
een ander. In ander pastel.
Met ook zijn intieme delen achteloos
naar buiten gesleurd en op zijn dak
tentoongespreid.
En daarnaast nog een ander.
En er tegenover.
Zo toont de stad zijn organen,
hoog boven het plaveisel.
/
/
/
DRIJFZAND
/
Ik ben een drijfzanddrenkeling.
Ik weet dat slechts een enkeling
druipend weer bovendrijven komt.
Graaiend naar de blaren,
nagels in de grond.
Verbijsterd dan
naar boven starend,
naar wie zo onverwacht daar stond
te lachen,
droog en zacht.
Gedichten
HOMEHOME.htmlHOME.htmlshapeimage_4_link_0
E-MAILmailto:gedichten@anouksmit.nl?subject=Gedichtenmailto:gedichten@anouksmit.nl?subject=Gedichtenshapeimage_5_link_0