Fragmenten uit een kort verhaal:
/
/
Het was te donker om zich niet schuldig te voelen.
Overdag liep ze regelmatig zijn atelier in, ook als hij er niet was. Dan raakte ze dingen aan, zijn werk, zijn gereedschap, nam ze de gutsen één voor één op om te proberen welke vinger precies in welke guts paste. Ze hield van de koelte waarmee het staal haar kootjes omhulde. Overdag slenterde ze langs de houten werkbanken met de draaikrukken, voelde aan de vette schroeven van de lijmklemmen. Het water in de kommen op de kleitafel was dan lauw door de zon en als ze er met haar vinger in roerde, kwam het bezinksel tot leven om als een wolk opgevlogen vliegjes het water troebel te maken. Overdag zette ze soms een raam open - en getuigenis van haar bezoek aan zijn atelier - maar alleen als het binnen warmer was dan buiten. Bij regen kwam de aardgeur de kozijnen over kruipen om zich te herkennen in de lucht van de nog vochtige klei.
Nu liet ze het raam gesloten, hoewel het benauwd was. Nachtblind zocht ze haar weg tussen hout, klei en metaal tot ze, helemaal achterin de ruimte, de punt van de brede droogtafel in haar lies voelde duwen. De koelte van de kruk onder haar nachthemd scherpte haar zintuigen aan. Voor zich op tafel ontwaarde ze de zwarte vlakte van het ornament. De nacht aaide over haar handen en ze dacht aan haar man in de kerk. Al drie weken sliep hij daar nu.
/
*
/
Ze dwaalde door een complex met witbetegelde wanden. Het was een kuuroord met koude dompelbaden waar ze telkens in dreigde te glijden. De vloer was nat en ze kon zich nergens aan vasthouden. Stemmen echoden in volgende zalen, maar er was niemand te bekennen.
Tot haar afgrijzen ontdekte ze dat haar lichaam veranderde in een dun los vel dat van haar skelet af in plooien op de grond hing. In paniek zocht ze een uitgang, maar alle deuren werden bewaakt door demonenkoppen: Stenen duivels, honden, draken en vogels versperden de weg. Achteruit deinzend gleed ze uit op de rand van een van de dompelbaden. Ze raakte het ijskoude water en lag verstijfd op het uiterste randje van het lege tweepersoonsbed. De lakens lagen in een prop op de stenen vloer. De haartjes op haar armen stonden rechtop en haar kussen was klam.
/
Ze begreep niet waarom zijn reactie zo'n groot gevoel van teleurstelling bij haar opriep. Hij had zich losgerukt uit zijn slaap en met aandacht naar haar geluisterd, hij had de juiste woorden via zijn mobiele telefoon in haar oor gefluisterd en hij had vastberaden genoeg geklonken in zijn aanbod terug naar het huis te komen. Zij voelde zich steeds eenzamer worden. Uiteindelijk had ze aan het eind van het gesprek een luchtig grapje gemaakt om hem zo ver mogelijk uit de buurt te houden en toen ze ophingen was ze leger dan de kerk waarin hij sliep.
/
*
/
Het blad was vers. Net nieuw uitgesneden vanavond voordat hij vertrok. Ruim anderhalve centimeter dik en bijna zo groot als haar hele romp lag het hier voor haar op tafel. De klei was nog zacht, maar de randen scherp afgesneden in bogen en punten. Met de achterkant van een houten penseel had hij de nerven in het materiaal getrokken: een zorgvuldig patroon van een asymmetrische ster. Om het werkstuk een holle vorm te geven, zodat de bladpunten van de kerkmuur af zouden krullen als een loslatend plakplaatje, had hij het in een wijde, ondiepe schaal gelegd.
''Nachtje drogen,'' had ze hem gebogen over de schaal horen mompelen, ''en als ik morgenavond terugkom ben je uitgehard, blaadje. Dan ga je lekker de oven in.''